![]() |
![]() |
![]() | |
![]() |
![]() |
![]() | |
Zoals in de Provence de Mont Ventoux overal je horizon tekent, zo dragen de Tiense tumuli de herinneringen aan mijn jeugd.
Ik werd geboren op tweehonderd meter van de tumuli, de ‘toemme’ in het Tiens
dialect. De allereerste beelden kan ik maar terughalen uit oude foto’s. Mijn
moeder die met een aftandse kinderwagen langs de tommen wandelt.
Snel werd die plaats het geliefde speelterrein van mijn jeugd. Je
kon er als kind al van jongs af veilig naartoe. Achter onze tuinen liep immers
‘de klein rut’, de spoorbedding van het zwarte trammetje dat in de
bietencampagne het vervoer van bieten verzorgde tussen het station van Grimde en
de suikerfabriek. Dat had het voordeel dat je langs achter je kameraden kon gaan
uitroepen om te spelen. Op de ‘grote rut’ achter de tommen reed een heuse
stoomtrein. Daartussen lagen de volkstuinen.
Onze fantasie zorgde voor een onuitputtelijk gamma aan spelmogelijkheden: verstoppertje of in het Tiens ‘kekke noenkels’, cowboy en indiaan, garde en dief, hutten bouwen, barenspel tussen de eerste en tweede tomme, sluipspel of gewoon wat samen zitten kletsen met jongens van je leeftijd. We maakten pijlen en bogen van vlierbessenhout of ‘krakkebase’ dat we dan mooi wit pelden. We waren handig en ontwikkelden een eigen stijl om de bergen op en af te lopen. Wie zich misstapte, kon alleen de netels induiken, die overvloedig groeiden aan de voet van de tommen. Netelblaren, schrammen of kapotte knieën werden echter niet geteld als kwetsuren.
Meisjes kwamen later. Om hen te imponeren hadden we een pennenmes bij, waarmee we in de grond elkaars land probeerden af te gooien, takken afsneden of in de bomen kerfden. Toch was het vooral een jongenswereld.
De tommen waren onze wereld, waar we elk plekje kenden. Alleen van één plaats waren we een beetje bang. We bleven er een beetje uit de buurt: Piet zijn hol. Elke Grimdenaar die ooit op de tommen gespeeld heeft, kent Piet zijn hol. Aan de achterzijde van de middenste tomme was iets boven halfweg in de flank een gat gegraven of ingevallen. Niemand die het fijne ervan wist. Het boezemde ons schrik in, we zouden er niet gaan in spelen of er ons in verstoppen. Moeders vertelden hun stoute bengels dat Zwarte Piet, de knecht van de Sint, daar woonde. Misschien lag daar de oorsprong van onze schuwheid.
Rond de tommen lagen er velden met graan of suikerbieten. Je moest dus zorgen dat je tijdig kon remmen als je in volle spel de tommen afgespurt kwam. Als de boer zag dat iemand in zijn vruchten gelopen had, lag hij een week op de loer. Je werd dan overladen met scheldwoorden en dreigementen, ook al had je niets mispeuterd.
We dachten dat we er ook ons eerste passief contact met seks hadden. Het afloeren van ‘zedig verkerende’ koppeltjes zonder zelf gezien te worden, was eerder een spannende sport dan een vorm van pril voyeurisme.
Met de tommen werden wij groot, deden onze eerste levenservaringen op, verwerkten we vreugde en verdriet. De tommen waren onze voedstermoeder op het pad naar volwassenheid.
Omdat de verhalen over de schattenjacht en de opgravingen in de tommen mijn fantasie prikkelden, heb ik er mijn microbe voor de plaatselijke geschiedenis opgeraapt. Uit ‘Het Laatste Nieuws’ knipte ik de wekelijkse bladzijde ‘Uit de streek tussen Demer en Dijle’. Die ging over de plaatselijke geschiedenis van steden en dorpen in onze regio. Ik verzamelde ze gretig en heb ze vijftig jaar later nog.
Enkele jaren later werden de tommen het terrein van de plaatselijke scouts. De velden werden genivelleerd, er kwam een afrastering rond het hele gebied, er werden struiken aangeplant, sommige delen verhard, een voetbalveld aangelegd en ruime lokalen gebouwd. Als welpenleider kreeg ik opnieuw een hechte band met de tommen. John Dejaeger, de CEO van BASF Antwerpen was er mijn assistent. Voor de meeste spelen vormden het tommen een ideaal parcours. Het drong niet tot ons door dat we onze activiteiten organiseerden op een eeuwenoude begraafplaats.
Toen de scouts ophielden te bestaan, werd het voetbalveld het oefenterrein van Polderke Voetbal. De scoutslokalen werden onze kleedkamers. We trainden er twee keer per week. Daarvoor plaatsten we er zelfs een primitieve terreinverlichting. Voor officiële matchen moesten we uitwijken naar elders omdat het veld net te klein was. Op het verharde gedeelte werd minivoetbal gespeeld en organiseerden we heuse tornooien.
Later zijn de lokalen in onbruik geraakt, ze vervielen en werden afgebroken. Waar het vroeger zo druk was, kwam er nog weinig bezoek. De tommen werden door garages en tankstations aan het zicht onttrokken. Met de dood in het hart zag ik de hele site verwilderen en verloederen. Gelukkig deden de stadsdiensten een minimum aan onderhoud. Met de hoop op verandering, zet ik me nu maximaal in om via ‘Monumentenstrijd’ deze omgeving weer aantrekkelijk te maken.
Meer dan dertig jaar speelden de tommen een beklijvende rol in mijn leven. Het is dan ook niet te verwonderen dat mijn eerste bekroning als dichter te maken had met een vers over de baken en bakermat van mijn jeugd: ‘Heuvels van de tijd’
Heuvels van de tijd
Bij de Gallo-Romeinse tumuli in Grimde
Verlangen naar het land
waar jij en ik
nog kinderen waren
toen wij er baren
speelden
op de heuvels van de tijd.
Ik kom niet thuis
waar ik in dromen
de bomen
in mijn tuin herken.
Maar waar de bomen
mij herkennen
wars van mijn vergetelheid.
[Een inzending van Gui G. Nijs]











